Gepubliceerd:
In dit artikel:
Tekst:
Fotografie:
Het interview vindt plaats in de modelwoning van Talis in de wijk Jerusalem. Maar dan wel boven uit het zicht, want als we in de woonkamer (het kantoor van wijkadviseur Elly) gaan zitten, dan schept dat verwarring. “Als bewoners me zien zitten, dan bellen ze aan voor vragen.” Duidelijkheid; daar houdt Elly wel van. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor haar bewoners. Een portret van een vrouw die nooit zelf heeft bedacht dat ze bij een woningbouwcoöperatie zou gaan werken, maar daar heel goed tot haar recht komt.
Is dit nu je werkplek?
“Ja, we zijn druk bezig met een project in de wijk Jerusalem waar ik nu sociaal projectleider ben. We knappen in vijf fases alle woningen op en we werken met ‘wisselwoningen’. Je kunt dan als bewoner wel in je vertrouwde wijk blijven als je dat wilt, terwijl je eigen huis wordt opgeknapt. Je krijgt twee weken om te verhuizen naar je tijdelijke woning waar je tien weken verblijft. Daarna krijg je de sleutel van je huis en heb je vijf weken om te klussen en om terug te verhuizen. In deze modelwoning kunnen de bewoners terecht met hun vragen maar ook om bijvoorbeeld een keukenblad uit te kiezen of gewoon om een beeld te krijgen van hoe hun woning er komt uit te zien.”
Hoe kom je in deze rol terecht?
“Eigenlijk bij toeval. Ik werkte als voetbaltrainer en ik werd benaderd door iemand van Talis voor de functie van wijkbeheerder. Een baan waar ik zelf nooit over nagedacht had. Maar blijkbaar zag hij dat ik mensen goed kan motiveren en dat is wat je nodig hebt om wat te bereiken in deze functie. Daarnaast ben ik een echte aanpakker: ik krijg dingen voor elkaar waar anderen misschien al eerder afhaken. Zo ben ik laatst achter de schermen druk bezig geweest om te zorgen dat twee meiden in hun huis mogen blijven wonen. Hun moeder was plotseling overleden en door hun leeftijd zouden ze eigenlijk niet mogen blijven. Maar dan zet ik mijn overredingskracht en netwerk in. Want het zal toch niet zo zijn dat die meiden ook nog eens hun huis kwijtraken?”
Dus Elly regelt het wel?
“Klopt, en daarbij zoek ik de grenzen op. Ik ben continue scenario’s aan het bedenken. Ik zorg dat ik weet wat er speelt in de wijk en dat ik achter de voordeur van mensen kom. Mijn netwerk weet inmiddels: ‘Daar is Elly, we moeten ons gaan inspannen.’ Maar ik ben naar de bewoners ook altijd duidelijk over wat ze kunnen verwachten. Dat ik me voor ze inspan, betekent niet altijd dat het me lukt.”
Van voetbaltrainer naar een woningbouwcorporatie. Kun je zeggen dat je altijd in een mannenwereld hebt gewerkt?
“Ja, ik functioneer en floreer beter bij mannen. Dat is altijd zo geweest. Ik denk dat het komt omdat ik hetzelfde reageer: recht door zee, zeggen wat je op je hart hebt en dan dóór! Bij vrouwen kunnen zaken wat langer doorsudderen. Ik denk dan al snel: ‘Daar hebben we het toch al over gehad?’ Ik pak liever door, dat geeft mij meer energie. Door mijn aanpak krijg ik het vertrouwen van bewoners. Dat merk ik nu, maar ook bij ons vorige baanbrekende project in de Kolping.”


“Nederland ging vanonze bewoners houden”
Waarom was dat een baanbrekend project?
“Het was het eerste grote project voor Talis waar we met wisselwoningen in de wijk werkten én waar we de bewoners echt betrokken bij de ontwikkeling van de plannen. Gemeente, politie en Talis hadden al jaren geleden besloten dat de wijk Kolping op de schop moest. Er was veel criminaliteit en de wijk had geen goede naam. Nadat er veel aandacht was geweest voor het sociale aspect, werd het tijd voor een opknapbeurt voor de woningen en de leefomgeving. Er was veel wantrouwen bij de bewoners. Zij waren gewend dat er voor hen beslist werd en dachten dat de plannen toch al klaar zouden zijn. Dus ze zetten zich bij voorbaat al schrap: ‘Wat ze ook voorstellen, we zijn tégen!’. En toen kwam onze bestuurder die aan hen vroeg: Wat willen júllie? Ze waren stomverbaasd, dat was hen nog nooit gevraagd.”
Er was veel publiciteit. Er is zelfs een documentaireserie gemaakt ‘De Kolping, een volkswijk in renovatie’ met de bewoners in de hoofdrol, maar ook met jou en je collega Bert. Waarom was deze serie zo’n groot succes denk je?
“Omdat het een eerlijk verhaal is met pure mensen. Het werd niet smeuïger gemaakt met een voice-over-stem die het verhaal lekker ging aandikken. En het verhaal werd gebracht zonder oordeel. Ik wilde met deze documentaire de wereld van de woningbouwcoöperatie laten zien, en dat is gelukt. Nederland heeft zo snel een oordeel over bepaalde mensen; mensen die verslaafd zijn of die psychische zorg nodig hebben. Ik wist: hoe meer de kijker ze leert kennen, hoe meer ze van onze bewoners gaan houden. En dat gebeurde. Door de serie hebben we kunnen laten zien wat we allemaal doen.”
Heb je nog veel contact met de bewoners daar?
“Dat was door corona natuurlijk wel lastig, en ik werk daar niet meer. Maar ik wandel regelmatig door de Kolping en dan word ik nog steeds aangeschoten voor een praatje. We hebben samen zo veel meegemaakt. Tijdens het project heb ik echt ontdekt hoe belangrijk je kunt zijn voor een ander, hoe je het verschil kunt maken in een tijd vol stress en gedoe. Dat schept een band voor het leven en dat gevoel koester ik enorm. Ik bewaar veel mooie herinneringen aan de bewoners, zoals bijvoorbeeld Rinus. Hij is inmiddels helaas overleden. Dat heeft me persoonlijk geraakt. Het contact met hem was heel bijzonder. Hij deed me veel denken aan mijn eigen vader die ook het type ‘ruwe bolster, blanke pit’ was. Rinus kon ontzettend mopperen, maar was ook enorm zorgzaam voor zijn gezin. Rinus werd door de serie een begrip.”
Door de serie werd je zelf ook een bekende Nijmegenaar. Hoe is dat?
“Dat blijft gek. Ik word nog steeds op straat herkend en laatst nog zei iemand tegen me dat ik haar zo bekend voorkwam. En dan hoor ik mezelf zeggen: ‘Misschien herken je me van tv?’ Dat is best ongemakkelijk haha! Ik kreeg ook veel reacties van mensen die me kennen en zeggen: ‘We herkennen je helemaal!’ Dat was overigens voor mij ook de voorwaarde om mee te doen. Ik zei van tevoren: ‘Ik ga geen toneelstukje opvoeren of situaties overdoen. Ik wilde gewoon mijn werk doen.’ En dat vertrouwen kregen we ook van Talis. Er is niets in scène gezet of weggepoetst, we hebben het niet mooier gemaakt dan het is. Dat is echt de kracht geweest.”

Je woont en werkt in Nijmegen, hoe bevalt dat?
“Nijmegen is een fantastische stad. Ik heb op veel plekken in de wereld gewoond, maar als ik dan weer de stad binnenrijd via de Waalbrug, dan voelt het elke keer als thuiskomen. De stad wordt steeds mooier en groener. Het gebied bij de Nevengeul is prachtig geworden, daar wandel ik graag. Maar ik geniet ook enorm van de natuur in de Hatertse Vennen. Ik droom weleens van wonen in Zuid-Amerika, maar voorlopig zit ik hier goed.”
Hoe kijk je aan tegen de situatie op de Nijmeegse woningmarkt?
“Tja, een paar bollebozen hebben bedacht dat we in de toekomst minder huizen nodig hebben, maar we zitten daardoor nu wel met een groot tekort. Als ik het voor het zeggen zou hebben, zou ik snel een aantal wooneenheden de grond uitstampen. Het kán gewoon, dat zie je hier in de wijk Jerusalem ook wel. Ik zou snel handelen, dan kijken we later wel weer wat we met die woningen doen. Het is zo jammer dat er altijd zo lang gepraat moet worden. Ik ben meer van de actie.”
Actie genoeg in jouw werk toch?
“Inderdaad. Ik zou een boek kunnen schrijven over wat ik meemaak. Geen dag is hetzelfde. Ik ben maar één keer bang geweest, toen een huurder mij achtervolgde. Die man was uit huis geplaatst en nam mij dat enorm kwalijk. Ik kon hem van me afschudden, maar een dag later hoorde ik dat hij weer opgepakt was voor een verkrachting. Dan schrik je toch. Maar verder heb ik vooral plezier in mijn werk. We lachen heel wat af. Zo heb ik ooit samen met Bert een bewoner een lift gegeven naar de apotheek. Ik kende deze bewoner al heel wat jaren. Hij had in de gevangenis gezeten en dan krijg je geen uitkering. Daardoor had hij een huurschuld opgebouwd en raak je je huis kwijt. Ik heb toen geregeld dat hij tóch bij ons mocht huren, maar wel onder de strikte voorwaarde dat ik geen telefoontje van de politie wilde dat hij opnieuw strafbare feiten had gepleegd. Die man was me zo dankbaar. En toen ik hem afzette bij de apotheek begon hij opeens keihard te lachen. ‘Dit is voor het eerst dat ik achter in een auto zit zonder handboeien om!’ zei hij tegen ons. Die momenten zijn onbetaalbaar.”




